De weg naar geloof – light versie # de verstandelijke manier van denken

Gepost door Esrarengiiz op 18-09-13 in Religie & cultuur

De verstandelijke manier van denken

Denken = het vormen van oordelen over feiten.

”Water is nat” is een voorbeeld hiervan. Dit is het resultaat van denken, evenals ”een olifant is zwaar”. Indien men over een feit wilt oordelen, dan dient hij of zij te beschikken over een waarneming van het feit. Voorbeelden:

”Het is zacht” >> eerst moet men het feit gevoeld hebben.
”Het glinstert” >> eerst moet men het feit gezien hebben.
”Het smaakt zoet” >> eerst moet men het feit geproefd hebben. etc.

Het zou onjuist zijn, echter, hieruit te concluderen dat al wat denken vereist een feit tezamen met een waarneming is. Dit, namelijk zou een conclusie zijn die niet overeenstemt met de realiteit van denken zoals die voor eenieder waarneembaar is. Om duidelijk te maken dat een feit en een waarneming niet voldoende zijn voor denken, een voorbeeld:

Een jong kind dat voor de eerste maal muntgeld in zijn handen krijgt, en daarmee voor de eerste maal met muntgeld geconfronteerd wordt, zal geen idee hebben over wat het is dat zich in zijn handen bevinden, noch wat het er mogelijk mee zou kunnen doen, zolang men het kind niets vertelt over hetgeen hem gegeven is. Zou men het kind voor enige tijd met het muntgeld alleen laten, om later weer terug te keren, dan zal men waarschijnlijk vinden dat in de tussentijd het kind op verschillende manieren het geld heeft waargenomen: hij zal het betast hebben, eraan geroken hebben, en, zoals de meeste kinderen om de een of andere reden gewoon zijn, er zelfs op hebben gebeten. Zou men het kind bij het terugkeren vervolgens vragen “hoe vindt je muntgeld er uit zien?”, of “hoe vindt je muntgeld ruiken?”, of “hoe vindt je muntgeld smaken?”, dan zou het kind, al de gedane waarnemingen van het feit ten spijt, nog steeds enkel schouderophalend kunnen reageren. Ondanks de vele waarnemingen van het feit zal het kind feitelijk nog geen enkel idee hebben ontwikkeld over muntgeld, en de reden hiervoor is dat het kind niet weet wat muntgeld is. Dit is hem nog niet verteld geworden, en daarom kan het kind onmogelijk antwoorden op de vraag “wat vindt je van muntgeld?” ook al houdt hij het in zijn hand voor weken. Eerst zou het kind duidelijk gemaakt moeten worden dat muntgeld hetgeen is dat hij in zijn handen houdt. Pas als dit hem duidelijk is, dan zou het kind op de gestelde vraag kunnen antwoorden gebruik makend van zijn waarnemingen, bijvoorbeeld door te oordelen “het smaakt vies”.

Een ander voorbeeld..

Stel, iemand wordt opgesloten in een lege kamer met niets meer dan een boek in een voor hem of haar vreemde taal. Het aantal waarnemingen van het boek waarover de persoon zal beschikken zal variëren met de tijd in afzondering met het boek, maar ongeacht de tijd in afzondering met enkel het boek zal het aantal ideeën over de taal in het boek en over het boek zelf altijd gelijk blijven: nul. De persoon zal bijvoorbeeld nooit de taal kunnen leren van het boek met enkel het boek, en hij zal daarmee in deze situatie nooit de inhoud van het boek kunnen leren begrijpen of beoordelen, ongeacht de tijd die hij doorbrengt met alleen het boek. Pas wanneer buiten dit boek de persoon de beschikking krijgt over een tweede boek, met daarin een uitleg van de taal van het boek -dus met andere woorden wanneer hem voorkennis wordt gegeven over de taal van het boek- dan pas wordt het mogelijk voor deze persoon om ideeën te ontwikkelen over de taal van het boek, en over de inhoud van het boek.

Wat beide voorbeelden duidelijk maken, is dat voor denken meer vereist is dan enkel een feit tezamen met een waarneming van of de herinnering aan een waarneming van dit feit. De derde vereiste voor denken is voorkennis over het feit. Wat het kind ontbeert in het voorbeeld, en wat hem er van weerhoudt ideeën te ontwikkelen over muntgeld ook al heeft hij het in zijn handen en mond gehad, is voorkennis over muntgeld. Eerst moet het kind voorkennis gegeven zijn over muntgeld, in de zin van dit-en-dit is muntgeld, daarna pas kan de waarneming van muntgeld ideeën over muntgeld in het kind opwekken. Hetzelfde voor het voorbeeld van de persoon met het boek in de vreemde taal. Eerst moet hem voorkennis gegeven zijn over de taal in het boek (dit-en-dit is de taal in het boek, en dit-en-dit is hoe de taal zich verhoudt tot uw eigen taal) daarna pas kan de persoon proberen het boek en de taal in het boek te leren begrijpen en zowel taal als boek beoordelen.

Deze analyse van denken in mensen maakt duidelijk wat de precieze vereisten zijn voor verstandelijk denken, en hoe denken precies in zijn werk gaat. De vereisten voor verstandelijk denken zijn:

1. Een feit;
2. waarnemingsorganen;
3. gezonde hersenen; en
4. voorkennis,

en onder denken koppelen gezonde hersenen waarnemingen van een feit of herinneringen aan waarnemingen van een feit aan de bestaande relevante voorkennis betreffende het feit. Bij het bestaan van juiste voorkennis kan men dan het feit benamen, en bij het bestaan van voldoende waarneming kan men dan het feit beoordelen.